30 mei 2016

Verslag Wetenschapsdag 2016

De Maastricht Studie: resultaten over cognitief functioneren en ons zitgedrag.
door Patrick Marx

“Als je de belangrijkste trends rondom onze gezondheid bekijkt dan zie je dat we steeds langer leven en dat we dikker worden. Je zou dan kunnen concluderen dat we langer leven omdat we allemaal wat steviger zijn”, zegt prof. Marja van Dieijen, bestuursvoorzitter van het Maastricht UMC+. “Deze conclusie klopt natuurlijk niet”, vervolgt ze. “Het is zaak om de echte relatie tussen oorzaak en gevolg te achterhalen en daarvoor dient De Maastricht Studie.” Met deze woorden opende van Dieijen het derde wetenschappelijke symposium van De Maastricht Studie op 8 april 2016. De onderzoekers presenteerden hun resultaten over zowel de relaties tussen diabetes en het cognitief functioneren (denkvermogen) als onze zittende leefstijl.

De hoofdzaak van het onderzoek van prof. Geert Jan Biessels, hoogleraar Cerebrovasculaire ziekten en cognitie in het UMC Utrecht, gaat over de relatie tussen de cognitie, ons denkvermogen, en diabetes. Biessels voert een deel van zijn onderzoek uit bij De Maastricht Studie. “We weten dat ieders cognitie tijdens het ouder worden achteruit gaat en dat die achteruitgang sneller gaat bij mensen met diabetes. Dit leidt meestal niet tot ernstige problemen waar de omgeving iets van merkt, maar tot subtiele veranderingen die je alleen zelf opmerkt, zoals het moeilijker onthouden van namen.”

Biessels volgde enkele jaren het cognitief functioneren van vrijwilligers met en zonder diabetes in Utrecht en bij De Maastricht Studie. “We zien bij de start van het onderzoek dat het cognitief functioneren van mensen met diabetes achterblijft bij dat van de mensen zonder diabetes. Omdat het cognitief functioneren afneemt met de leeftijd kun je stellen dat diabetespatiënten 3-5 jaar verder zijn in hun cognitieve achteruitgang in vergelijking met hun gezonde leeftijdgenoten. Opmerkelijk genoeg blijft dit verschil door de jaren heen bijna constant. Het is niet zo dat het denkvermogen van mensen met diabetes steeds sneller achteruit gaat.”

Uit vele onderzoeken wereldwijd blijkt dat mensen met diabetes een grotere kans op dementie hebben. De kans om dement te worden neemt toe met de leeftijd, dat geldt voor iedereen. Diabetespatiënten lopen echter 3 jaar voor op hun gezonde leeftijdgenoten, hun kans op dementie is daarom iets groter. Biessels: “De twee belangrijkste oorzaken voor dementie zijn de ziekte van Alzheimer en schade aan de kleinste bloedvaten in de hersenen. Finse onderzoekers laten zien dat bij diabetespatiënten dementie vooral ontstaat door schade aan de kleine bloedvaten.”

Dit Finse onderzoek sluit aan bij de bevindingen van De Maastricht Studie. Onderzoeker Thomas van Sloten ontdekte dat mensen met diabetes een stijvere halsslagader hebben. Dit gaat gepaard met meer schade aan de kleinste bloedvaten in de hersenen en een achteruitgang in cognitief functioneren. Naast de hersenen zijn ook de nieren gevoelig voor schade aan de kleinste bloedvaten. Als deze vaatjes in de nier beschadigd raken, dan lekken ze eiwitten in de urine. Promovendus Remy Martens ontdekte dat eiwit in de urine hand in hand gaat met een grotere kans op een depressie. Blijkbaar leidt schade aan de kleinste vaatjes gelijktijdig tot problemen in de nieren en de hersenen.               

Promovendus Marnix van Agtmaal kijkt naar de afmetingen van de hersenen. Naarmate we ouder worden krimpen onze hersenen. Ook dit fenomeen brengen onderzoekers in verband met een verminderd cognitief functioneren en dementie. Bij diabetes blijkt de krimp iets sneller te gaan dan bij mensen zonder deze ziekte.

De Maastricht Studie haalde begin februari het wereldnieuws met een onderzoek aar ons zitgedrag. Teveel zitten lijkt ongezond. Promovendus Jeroen van der Velde analyseerde de fitheid van de deelnemers. Tijdens een fietsproef analyseerde hij hun uithoudingsvermogen. Ook gaf hij de deelnemers een bewegingsmeter mee die gedurende een week het beweegpatroon in kaart bracht. “De deelnemers zitten gemiddeld 9 uur per dag. Het verschil is klein maar mensen die meer zitten, zijn minder fit. Mensen die dagelijks intensief bewegen, bijvoorbeeld sporten, zijn fitter dan de mensen die minder vaak intensief bewegen.” Van der Velde bekeek ook hoe vaak mensen hun zittende activiteit onderbreken door even te staan of te lopen. Die onderbrekingen hebben geen effect op de fitheid. Van der Velde concludeert: “Veel zitten is niet goed voor je fitheid. Elke vorm van bewegen, van intensief sporten tot wandelen, is beter.”

Onderzoeker Annemarie Koster dook dieper in het zitgedrag. “Al sinds de jaren vijftig van vorige eeuw weten we dat zittend werk ongezond is. Toen bleek uit een onderzoek onder buschauffeurs en conducteurs in Londen dat de zittende chauffeurs een grote kans op een hartinfarct hebben dan de lopende conducteurs.” Bij de deelnemers van De Maastricht Studie bekeek koster de relatie tussen zitgedrag, diabetes en het metabool syndroom (een verzamelnaam voor problemen zoals overgewicht, hoge bloeddruk en teveel cholesterol en suiker in het bloed). De deelnemers zitten gemiddeld tussen de 9 en 10 uur per dag waarbij mensen met diabetes 25 minuten en mensen met het metabole syndroom 40 minuten langer zitten. Koster: “We kunnen uitrekenen dat de kans op diabetes door lang zitten met 22% en de kans op het krijgen van het metabool syndroom met 39% toeneemt.”

De vraag is natuurlijk wat er verandert als we zitten inruilen voor bewegen? Koster probeerde dit langs theoretische weg af te leiden uit de onderzoeksgegevens: “Staan verlaagt het risico op diabetes terwijl lopen het risico nog meer verlaagt.” Omdat het onderzoek naar de relatie tussen zitten en diabetes nog in de kinderschoenen staat is Koster voorzichtig met haar conclusies: “Misschien reduceert meer bewegen en minder zitten het risico van diabetes en het metabool syndroom.” Haar advies is wel duidelijk: “houd je aan de beweegrichtlijn en zit minder.”  

Over adviezen gaat ook de laatste opmerking van prof. Biessels van het Utrecht UMC: “Onderzoeken als De Maastricht Studie gaan over grote getallen, over duizenden deelnemers. Het is nu zaak dat we deze resultaten van de grote groep deelnemers gaan vertalen naar een advies en een risico-inschatting voor de individuele patiënt.”